BIEP ++
Als het alleen maar woorden waren dan las de nieuwe bieb als een gedicht hermetisch transparant, met glazen aangezicht en 30 torens die de afstand tot de stad bewaren
als het hoofd waarvan de schedel is gelicht omlijnd door trambaan, spoorrails: zenuwsnaren een Leidsevaart waar duizend schepen zullen varen het staat er straks, in langzaam later Lomboklicht
Maar de bieb krijgt zoveel meer dan het woord alleen men spreekt al van ‘Biep ++’ (ook handig bij SMS-verkeer) naast woorden hakt men 120 woningen uit donkergrijzer steen
komt er een filmzaal, parking, fietsenstalling en zo meer de kunstuitleen, het UCK. . . half bibliotheek, heel fenomeen dank RAPP + RAPP voor het ontwerp en zet het nou maar neer!
FILMFESTIVAL (6)
Je zult het zien, er komt een dag waarop een scenarist, een producent, en regisseur elkaar de handen schudden op de schouders slaan, contracten tekenen om die ene megafilm te maken: van jou en mij, van het begin tot aan het eind één lange achtervolgingsscène
jij krijgt ook nog een gouden kalf en een vergulde tegel, op het einde van de Vinkenburgstraat bij de Neude, met de titel en je stoere gouden handdruk een jaartal dat bij regen ietsje oplicht
en blijkt die film een droom te zijn dan is er voor altijd nog dit gedicht!
STADSDICHTER (1)
Ruk die ene, laatst overgebleven, bezorger dit Stadsblad ruw uit zijn verbaasde handen sla het open, blader, scheur, gooi weg; tussen boomblad buitelen nu witte flarden - als vroege meeuwen in hun herfstvlucht - stukjes krant, met dáár. . . het stadsgedicht
Heerlijk toonbeeld van een woordgrap, taalspel, spraakverwarring: stadsgedicht en stadsdichter vormen nu caleidoscopisch dezelfde ik-figuur: de gezalfde, de gezegende, de uitverkoren ik zie de palmtakken wuiven, hoor de lofzangen, ruik de olieën, mirre, wierook. . . en het geld
Poëzie knoopt touwen vast aan droom en werkelijkheid (dat maakt ze vastomlijnd) zo raken dichters dikwijls in hun eigen net verstrikt en zien de mazen aan voor lucht dat hen de adem geeft tot blijven schrijven zoals dit, alweer 160ste, Utrechts stadsgedicht!
300.000
In het informatiecentrum op de Neude staat de digitale teller heel het weekend uit vrijdagmiddag – pak ‘m beet – om 17.00 uur telde Utrecht nog maar 299.722 inwoners de spanning stijgt per dag; wanneer wordt ons dat kindeke geboren. . . nummer 300.000?
Zal het een jongen of een meisje zijn, is het gezond en recht van lijf en leden welke kleur ogen? Noem mij een naam. Kijk, die vingertjes, dat neusje en kijk ook die lichte frons daar net even boven zweven; één lief, nieuw mensenkind. . . uit 300.000!
En ik ben zo benieuwd; wie was de 299.999ste en daarvoor; wie de 300.001ste en daarna; ook gezond, ogen, neusje, vingertjes? Waar zetten zij hun eerste, kleine stap wanneer hun eerste tandje in een hap en welke namen hebben zij gekregen. . ?
Op maandagmorgen fiets ik speciaal nog even langs die teller: die staat nog steeds 299.722 dat schiet op; ja, we kunnen er wat van!
DE ATLAS VAN A. GROLMAN
Houd de adem nu eens even in en kijk alleen maar naar de zin van al dat leven in de huppetup en alles dat is stilgezet, maar intussen wel beweegt onder lagen oude dagen. Iemand die straten veegt, de hagelwitte schorten, gevels die geduldig wachten op hun ouderdom. veelvuldig vage sporen van een trambaan die door smalle straten slingert. Niemand die zich nu de route nog herinnert; en kijk, de winkels van een warme bakker en de ouwe slager Schinkels, die zelf slachtte, worsten rookte. Vrouwenborsten in strak geregen corsetten onder kant en elegante parasols. En het mooiste: overal de koetsen met koetsiers en paarden op de Oudegracht, de Neude. Dank A. Grolman die het zo bewaarde. Adem uit en kijk!
|